Home
Home

Politie, brandweer en civiele bescherming : Reglement van overlast


Reglement van overlast

Hoofdstuk 1 — Algemene bepalingen

Artikel 1.1
Dit reglement heeft tot doel de voornaamste vormen van openbare overlast tegen te gaan.
Als openbare overlast worden beschouwd alle lichte vormen van verstoringen van de openbare rust, veiligheid, gezondheid en zindelijkheid.

Artikel 1.2
Voor de toepassing van dit reglement wordt verstaan onder:
eigenaar: eigenaar, vruchtgebruiker, erfpachthouder, opstalhouder, huurder, gebruiker.

Hoofdstuk 2 — Lawaai

Artikel 2.1
§1
Het maken overdag van lawaai of rumoer zonder noodzaak of te wijten aan een gebrek aan vooruitzicht of voorzorg, en dat de rust van de inwoners kan verstoren, is verboden.
Het bewijs kan met alle mogelijke middelen geleverd worden.
§2
Een geluid wordt als niet hinderlijk beschouwd wanneer dit het gevolg is van:
  1. werken aan de openbare weg of voor het aanleggen van openbare nutsvoorzieningen, uitgevoerd met toestemming van de daartoe bevoegde overheid of in opdracht van die overheid;
  2. van werken die op werkdagen en zaterdagen aan private eigendommen worden uitgevoerd, waarvoor de bevoegde overheid een vergunning heeft verleend, en van verbeterings-, verbouwings- of onderhoudswerken aan dergelijke eigendommen die zonder vergunning kunnen worden uitgevoerd, en waarbij de nodige voorzorgen worden getroffen om overdreven of niet noodzakelijk lawaai te voorkomen;
  3. van werken of handelingen die dringend of zonder verder uitstel moeten worden uitgevoerd ter bescherming van personen of eigendommen, of ter voorkoming van rampen;
  4. van een door het gemeentebestuur vergunde manifestatie, voor zover de in de vergunning opgelegde voorwaarden worden nageleefd. Deze opsomming is niet limitatief.

Artikel 2.2
Het is verboden op de openbare weg en op de openbare plaatsen in de open lucht fluiten, bellen, sirenes, muziek, toestellen met geluidsversterking te laten functioneren.
Dit verbod geldt niet voor foor- en marktkramers tijdens de officiële kermissen en op de openbare markten of beurzen.

Artikel 2.3
De burgemeester kan toelating geven voor het gebruik op de openbare weg van toestellen met geluidsversterking voor het maken van reclame voor handelsactiviteiten, de aankondiging van evenementen of openluchtfeesten. Hij kan in de toelating beperkingen opleggen.

Artikel 2.4
In open lucht is het gebruik van werktuigen aangedreven door ontploffings- of elektrische motoren verboden op zondagen en wettelijke feestdagen.
Dit verbod geldt niet :
  • voor foor en marktkramers tijdens de officiële kermissen en op de openbare markten of beurzen;
  • voor het uitvoeren van dringende werken, waarvan uitstel ernstig gevaar zou opleveren;
  • voor de landbouwmachines aangewend voor de normale exploitatie van een landbouwbedrijf.
Artikel 2.5
In open lucht op minder dan 100 meter van woningen is het in werking houden van een koelinstallatie op een stilstaande vrachtwagen verboden.
Dit verbod geldt niet tijdens het lossen en laden.

Artikel 2.6
Het is verboden zonder voorafgaande schriftelijke toelating van de burgemeester knalpotten af te schieten, vogelschrikkanonnen te laten knallen, vreugdevuren aan te leggen, vuurwerk af te steken of andere brandbare mengsels te doen ontploffen. De burgemeester kan in de toelating beperkingen opleggen.

Hoofdstuk 3 — Dieren

Artikel 3.1
§1
In het woongebied moeten dieren aan de leiband worden gehouden op de openbare wegen en voor publiek toegankelijke plaatsen.
§2
Buiten het woongebied moeten dieren steeds onder toezicht worden gehouden door een begeleider op de openbare wegen en voor publiek toegankelijke plaatsen.
§3
De begeleider moet zijn dier terughouden wanneer voorbijgangers naderen.

Artikel 3.2
Met uitzondering van assistentiehonden, is de toegang met dieren verboden op :
  • de gemeentelijke begraafplaatsen;
  • de gemeentelijke sportinfrastructuur;
  • de gemeentelijke openbare gebouwen;
  • de gemeentelijke speelpleinen en parken.
Artikel 3.3
Hondenuitwerpselen zijn geen huishoudelijk afval. In het woongebied zijn de begeleiders verplicht :
  • te beletten dat hun hond de openbare wegen, pleinen en parken, de aanplantingen en de bermen bevuilt;
  • op de hiervoor vermelde plaatsen de uitwerpselen van hun hond onmiddellijk te verwijderen;
  • hun hond gebruik te laten maken van de aanwezige hondenweides.
  • De begeleider, met uitzondering van blinden, moet steeds in het bezit zijn van een zakje voor het opruimen van uitwerpselen.
Artikel 3.4
Honden of andere dieren mogen geen abnormale hinder veroorzaken voor de omwonenden door aanhoudend geblaf of ander aanhoudend geluid. De houders van dieren die de rust van de omwonenden stoort, zijn strafbaar.

Artikel 3.5
Het is verboden kwaadaardige of woeste dieren te laten rondzwerven.

Artikel 3.6
Elke moedwillige handeling die de vallende wedstrijdduiven kan afschrikken, is verboden.

Hoofdstuk 4 — Vuur en rook

Artikel 4.1.
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder :
  1. verbrandingstoestel: kolenkachel, houtkachel, allesbrander, open haard, of andere installatie         
  2. bestemd voor het gebruik van vaste brandstoffen;
  3. onbehandeld hout: hout dat niet geverfd, gevernist of behandeld is met beschermingsmiddelen;
  4. afvalstoffen: de stoffen vermeld in artikel 2 van het decreet van 1981 07 02 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen.
Artikel 4.2.
§1
Is verboden het verbranden in de open lucht of in een verbrandingstoestel :
  1. van turf, bruinkool en niet-rookloze kolenagglomeraten;
  2. van brandstoffen die meer dan 1 % zwavel bevatten;
  3. van afvalstoffen;
  4. van stoffen die een sterk prikkelende geur verspreiden.
§2
Dit verbod geldt niet voor de inrichtingen die beschikken over een milieuvergunning die het verbranden van deze stoffen toestaat.


Artikel 4.3

§1
Dit verbod geldt niet voor de inrichtingen die beschikken over een milieuvergunning die het verbranden van deze stoffen toestaat.
  1. droge plantaardige afvalstoffen voortkomend van:
    - professionele landbouwactiviteiten;
    - de ontbossing en ontginning van gronden;
    - het onderhoud van tuinen;
  2. onbehandeld hout.
§2
Het verbranden in de open lucht is verboden:
  1. na zonsondergang of voor zonsopgang;
  2. indien de rook en/of de opvliegende verbrande bestanddelen door de heersende windrichting naar de buren worden gedreven, of het zicht kan belemmeren op de openbare weg of enig brandgevaar kan opleveren voor omliggende goederen.
§3
De burgemeester kan toelating geven voor een kerstboomverbranding of het maken van een kampvuur. Hij kan in de toelating beperkingen opleggen.

Artikel 4.4
Verbrandingstoestellen mogen enkel gestookt worden met onbehandeld droog hout, steenkool of afgeleide producten. De verbranding moet gebeuren voor de verwarming van een woongelegenheid, een werkplaats of gekoppeld zijn aan een productieproces.

Artikel 4.5
De verbrandingstoestellen moeten optimaal afgesteld zijn en de schoorstenen waarop ze zijn aangesloten moeten goed onderhouden zijn.

Artikel 4.6
Het gebruik van een barbecue is toegelaten in private tuinen. Het toestel moet opgesteld staan op minstens twee meter van de perceelsgrens.

Hoofdstuk 5 — Geurhinder

Artikel 5.1
Het is verboden op de openbare weg of op de openbare plaatsen stoffen achter te laten die stank veroorzaken of de lucht bederven.

Artikel 5.2

De vervoerder van sterk geurende stoffen, of stoffen die uitwasemingen, stof of bevuiling veroorzaken, moet de nodige maatregelen treffen om hinder te vermijden.

Artikel 5.3

Het is verboden zonder schriftelijk akkoord van de aanpalende eigenaars een mest- of composthoop aan te brengen op minder dan twee meter van de perceelsgrens. Voor een compostvat geldt een afstand één meter.

Hoofdstuk 6 — Drukwerk

Artikel 6.1

§1
Het is verboden folders of ongeadresseerd reclamedrukwerk en gratis regionale pers te bedelen in leegstaande panden of in de brievenbussen met een klever die aanduidt dat de bewoner geen reclamedrukwerk of regionale pers wenst te ontvangen.
§2
Het is verboden folders of ongeadresseerd reclamedrukwerk te bedelen in leegstaande panden of in de brievenbussen met een klever die aanduidt dat de bewoner geen reclamedrukwerk wenst te ontvangen. Regionale pers bedelen is wel toegelaten.

Artikel 6.2

Het is verboden reclamedrukwerk en gratis regionale pers te bedelen in leegstaande panden of achter te laten op andere plaatsen, inclusief het containerpark, anders dan de brievenbus.
De eigenaar van een leegstaand pand brengt op de brievenbus een klever aan zodat er geen ongeadresseerde post meer in terechtkomt.

Hoofdstuk 7 — Aanplakken

Artikel 7.1
Het is verboden opschriften, graffiti, affiches, publiciteitsborden, spandoeken, vlugschriften, plakbriefjes aan te brengen:

  • op de openbare weg;
  • op straatmeubilair, verkeerssignalisatie, bomen, aanplantingen, palen, omheiningen, monumenten, muren of andere bouwwerken gelegen langs de openbare weg.

Artikel 7.2

§1Voor het plaatsen van publiciteitsborden op privé-eigendom is vooraf een schriftelijke toelating van de eigenaar vereist.
§2
Voor het plaatsen van publiciteitsborden of wegwijzers voor culturele, sportieve, artistieke, menslievende, letterkundige of wetenschappelijke evenementen langs de openbare weg is vooraf een schriftelijke toelating de burgemeester vereist. Hij kan in de toelating beperkingen opleggen.
§3
Voor het plaatsen van publiciteitsborden langs provinciewegen of gewestwegen is vooraf een schriftelijke toelating van de wegbeheerder

Artikel 7.3
Op de gemeentelijke aanplakborden/aanplakzuilen mogen affiches aangebracht worden om culturele, sportieve, artistieke, menslievende, letterkundige of wetenschappelijke evenementen bekend te maken.

Artikel 7.4
Het is verboden:

  1. de officiële berichten te overplakken, te scheuren of af te trekken;
  2. meer dan één affiche voor hetzelfde evenement aan te brengen op hetzelfde bord/zuil.

Artikel 7.5
Verkiezingsaffiches mogen alleen aangebracht worden op de borden die het gemeentebestuur plaatst naar aanleiding van bij de wet bepaalde verkiezingen.

Hoofdstuk 8 — Onbebouwde terreinen

Artikel 8.1
De eigenaar is verplicht zijn braakliggend terrein in het woongebied te onderhouden en vrij te houden van ruigtekruiden, zoals netels, bramen, enz.

Hoofdstuk 9 — Openbare wegen

Artikel 9.1
Het is verboden de openbare weg te bevuilen met slijk of aarde.
Voertuigen met bevuilde wielen moeten eerst gereinigd worden vooraleer zich op de openbare weg te begeven.

Artikel 9.2
Het is verboden :

  1. slijk, zand en dergelijke dat zich op het trottoir voor de woningen bevindt op de straten, in de greppels of rioolmonden te vegen;
  2. aal, olie of andere vervuilende stoffen op de openbare weg te gieten of te storten in de riolen, grachten of andere oppervlaktewateren.

Artikel 9.3
Het is verboden zonder voorafgaande vergunning van het college van burgemeester en schepenen drankautomaten, broodautomaten of andere toestellen, voorwerpen of recipiënten op te stellen op het trottoir.
Het is verboden zonder voorafgaande vergunning van het college van burgemeester en schepenen koopwaren uit te stallen op het trottoir.
Het is verboden zonder voorafgaande vergunning van het college van burgemeester en schepenen caféterrassen, uitstalramen of reclameborden te plaatsen op de openbare weg.

Artikel 9.4
Het is verboden de doorgang op de openbare weg te belemmeren door er materialen, steigers, of andere voorwerpen achter te laten.

Artikel 9.5

§1
De burgemeester kan toelating geven voor het plaatsen van een afvalcontainer op de openbare weg. Hij kan in de toelating beperkingen opleggen.
§2
De burgemeester kan toelating geven voor het inrichten van een bouwwerf op de openbare weg. Hij kan in de toelating beperkingen opleggen.

Artikel 9.6
Het is verboden zonder toelating van het college van burgemeester en schepenen werkzaamheden uit te voeren op het openbaar of privaat domein van de gemeente, zowel aan de oppervlakte als onder de grond.

Artikel 9.7
Het is verboden straatmeubilair, verkeerssignalisatie, palen, omheiningen, muren of andere openbare eigendommen gelegen langs de openbare weg opzettelijk te beschadigen.

Artikel 9.8
De eigenaar is verplicht sneeuw en ijs te ruimen voor zijn woning of het trottoir slipvrij te maken zodat een vrije doorgang ontstaat voor de voetgangers. Het geruimde materiaal moet aan de rand van het trottoir opgehoopt worden en mag niet op de rijbaan gegooid of geveegd worden.

Artikel 9.9
Het opzettelijk aanrichten van schade aan planten langs de openbare wegen, op de openbare pleinen en in de openbare parken is verboden.

Artikel 9.10
Het gemeentebestuur onderhoudt de aanplantingen langs de openbare wegen, op de openbare pleinen en in de openbare parken.
Inwoners mogen niet op eigen initiatief snoeien of onderhoud uitvoeren aan het openbaar groen zonder voorafgaande schriftelijke toelating van het college van burgemeester en schepenen.

Artikel 9.11
Onverminderd de voorschriften van de stedenbouwkundige vergunningen, moet de eigenaar ervoor zorgen dat zijn bomen, hagen, heesters en andere aanplantingen zodanig gesnoeid zijn dat ze de zichtbaarheid en de vrije doorgang voor de weggebruikers niet hinderen, de zichtbaarheid van de verkeerstekens niet belemmeren en geen gevaar opleveren voor nutsleidingen en transportleidingen.

Artikel 9.12
Iedere eigenaar van een gebouw brengt aan de straatkant de huisnummering die door de gemeente toegekend werd, goed zichtbaar aan. Elke bewoner is verplicht die zichtbaar te houden.

Artikel 9.13
De eigenaar van een gebouw moet, zonder dat dit voor hem enige schadeloosstelling impliceert, toestaan dat op de gevel aanduidingen van openbaar nut en andere nutsvoorzieningen worden aangebracht.

Hoofdstuk 10 — Ambtshalve maatregelen

Artikel 10.1
De burgemeester kan bij inbreuk op dit reglement de overtreder het bevel geven de aangewezen maatregelen te treffen wanneer de openbare veiligheid, gezondheid of rust in het gedrang komen.
Indien binnen de gestelde termijn geen gevolg gegeven wordt aan dit bevel, kan de burgemeester zonder verdere ingebrekestelling ambtshalve de aangewezen maatregelen treffen. In geval van dringende noodzakelijkheid kan de burgemeester onmiddellijk ambtshalve de aangewezen maatregelen treffen. Het gemeentebestuur kan de kosten verhalen op de in gebreke blijvende partijen.

Hoofdstuk 11 — Strafwetboek

Artikel 11.1
De overtreders van de artikelen 526, 537, 545, 559, 1°, 561, 1°, en 563, 2° en 3° van het Strafwetboek kunnen worden bestraft met de straffen bepaald in het Strafwetboek of met een administratieve geldboete.

Hoofdstuk 12 — Bemiddeling

Artikel 12.1

§1
Wanneer de overtreder minderjarig is en de volle leeftijd van 16 jaar heeft bereikt op het tijdstip van de feiten, heeft steeds een bemiddeling plaats met als doel de aangebrachte schade te herstellen of vergoeden.
§2
Wanneer de overtreder meerderjarig is, kan een bemiddeling plaatshebben wanneer door de dader schade werd aangebracht.
§3
De bemiddeling heeft plaats vooraleer een administratieve geldboete wordt opgelegd.
§4
Als de bemiddeling met gunstig gevolg wordt afgehandeld, kan de ambtenaar aangewezen om administratieve geldboetes op te leggen, beslissen geen administratieve geldboete op te leggen. In alle geval wordt een gunstig afgehandelde bemiddeling beschouwd als een verzachtende omstandigheid.

Hoofdstuk 13 — Sancties

Artikel 13.1
De overtreders van de bepalingen van dit reglement worden bestraft met een administratieve geldboete, onverminderd de ambtshalve getroffen maatregelen.

  • worden bestraft met een administratieve geldboete van 150 euro tot 250 euro
    de inbreuken op artikel 4.2, artikel 9.7, artikel 9.10 en artikel 11.1 van dit reglement.
  • worden bestraft met een administratieve geldboete van 50 euro tot 200 euro
    de inbreuken op artikel 2.1, artikel 2.5, artikel 3.3, artikel 4.4, artikel 5.2, artikel 6.1, artikel 6.2, artikel 7.1, artikel 8.1, artikel 9.3, artikel 9.4, artikel 9.5, artikel 9.6, artikel 9.8 en artikel 9.12 van dit reglement.
  • worden bestraft met een administratieve geldboete van 10 euro tot 150 euro de inbreuken op alle overige artikelen van dit reglement.

Dezelfde straf geldt ook voor het niet naleven door de vergunninghouder van de voorwaarden opgelegd in de vergunning.
Indien de overtreder minderjarig is en de volle leeftijd van 16 jaar heeft bereikt op het tijdstip van de feiten, is de maximum geldboete 125 euro.

Artikel 13.2
In geval van herhaling kan een hogere administratieve geldboete opgelegd worden, zonder dat zij hoger mag zijn dan 250 euro. Voor minderjarigen is de maximum geldboete 125 euro.
Herhaling bestaat wanneer de overtreder wegens dezelfde overtreding binnen de twaalf voorafgaande maanden reeds een administratieve geldboete werd opgelegd. Het tijdstip van de kennisgeving van de beslissing tot het opleggen van de administratieve geldboete wordt in aanmerking genomen.

Artikel 13.3
Wanneer er verzachtende omstandigheden aanwezig zijn, kan de administratieve geldboete verminderd worden, zonder dat zij ooit lager mag zijn dan 1 euro.

Artikel 13.4
In geval van samenloop van verscheidene overtredingen die bestraft worden met een administratieve geldboete, wordt één enkele geldboete opgelegd in verhouding tot de ernst van het geheel van de feiten, zonder dat deze boete hoger mag zijn dan 250 euro. Voor minderjarigen is de maximum geldboete 125 euro.